Waarom zicht op leren zo vaak een illusie is (en waarom dat niet jouw schuld is)

Er zijn lessen waarin je het voelt: dit zit goed.
En er zijn lessen waarin je denkt: we gaan gewoon door en hopen dat het kwartje straks valt. Dat kwartje laat zich helaas niet plannen.

Die twijfel is herkenbaar. En terecht.

Er zijn lessen waarin je het voelt: dit zit goed.

En er zijn lessen waarin je denkt: we gaan gewoon door en hopen dat het kwartje straks valt. Dat kwartje laat zich helaas niet plannen.

Die twijfel is herkenbaar. En terecht.

Veel leraren willen graag weten waar hun leerlingen staan, maar merken hoe lastig dat is tijdens de les. Niet omdat ze geen vragen stellen, maar omdat antwoorden vaak weinig zeggen over begrip. Tijdens de les vertrouwen we op signalen die weinig zeggen over leren. Handen omhoog. Snelle reacties. Eén sterke leerling kan een hele klas aan begrip laten lijken. Stilte kan net zo goed onzekerheid als concentratie betekenen.

Zicht op leren krijg je dus niet vanzelf. Het ontstaat pas wanneer leerlingen hun denken expliciet maken: niet alleen het antwoord, maar ook de weg ernaartoe.

Een klassendiscussie lijkt daarvoor ideaal. Maar zonder structuur verandert zo’n gesprek al snel in een pingpongwedstrijd tussen dezelfde drie leerlingen. Gezellig? Zeker. Informatief? Mwah.

De kracht van een goed opgebouwde klassendiscussie zit in het diagnostisch karakter. Door denktijd, gerichte beurten en het vergelijken van ideeën krijg je zicht op hoe leerlingen redeneren. Je hoort waar het schuurt, waar twijfel zit en waar misconcepties ontstaan. Dat sluit aan bij wat we weten over formatief handelen: leren verbeteren begint met weten waar leerlingen staan.

Maar zichtbaar denken is nog geen verdiept denken.

Veel leerlingantwoorden zijn eerste pogingen. Niet fout, maar onaf. In de praktijk schieten we dan snel in de correctiestand: aanvullen, verbeteren, afronden. Begrijpelijk, maar leertechnisch gezien; zonde. Want juist dat herformuleren en aanscherpen zorgt voor verdieping.

Met ‘Zeg het nog eens, maar dan beter’ vertraag je bewust. Deze techniek is een antwoord op oppervlakkige antwoorden en snelle afsluiting. Leerlingen worden uitgedaagd om hun antwoord preciezer te formuleren en beter te onderbouwen. Dat past bij het idee van doelgericht oefenen: leren door verbeteren, met feedback als motor.

En dan volgt onvermijdelijk de vraag: “Maar wanneer is het dan goed?”

Succescriteria geven daarop antwoord. Ze maken kwaliteit expliciet en bespreekbaar. Leerlingen weten waar ze op moeten letten en waarom iets beter is. Dat vergroot de kans dat feedback daadwerkelijk gebruikt wordt en voorkomt dat verbeteren voelt als gokken.

Deze drie Doorloopjes vormen samen een mooie lijn uit het thema ‘bevragen en feedback’:

zicht krijgen → verdiepen → gericht verbeteren.

Tijdens de DigiDate ‘Zicht op leren: zie wat er écht gebeurt’ gaan Renée van Eijck en Dimitri van Dillen hierover in gesprek. Renée stond jarenlang voor de klas in het primair onderwijs en geeft nu les aan leraren. Dimitri brengt zijn ervaring als docent in het mbo in en laat zien hoe deze Doorloopjes ook werken bij studenten. Geen perfecte lessen, maar eerlijke voorbeelden uit hun eigen praktijk.

Wil je ervaren hoe je met kleine ingrepen groot verschil maakt in je klas? Meld je dan hier aan voor de Digidate.